Loading

ONDER PSEUDONIEM

“Salim, de eerste met wie ik het bed deelde, had billen die bij zijn naam paste. Hij was ook de eerste die mijn billen een ‘reetje’ noemde.” Zo luidt de eerste zin van de tragi-komische debuutroman van Eveline Vreeburg.
In Onder pseudoniem neemt Vreeburg ons mee met ‘Eefje,’ een personage dat grossiert in onverschilligheid en gebukt gaat onder de nodige zelfmedelijden. De volgende zin geeft van dat laatste een aardig beeld:
‘In de bus – waar ik op de een of andere manier altijd op de gehandicaptenplaats terecht kwam – reed ik naar huis.’
Deze narcistische twintiger, pendelt van haar jeugd in het dorp naar de stad Amsterdam, waar zij zich halfslachtig tot doel stelt door te breken als actrice. Langzaam ontrafelt de schrijfster de geschiedenis van een familiedrama.

Tijdens een vakantie met een dubieuze vriend, zo komen wij te weten, verdween de grote zus van ons hoofdpersonage. ‘Van die dubieuze vriend was slechts bekend dat hij een hoog voorhoofd had en dat hij hoogbegaafd was,’ aldus Eefje.
In verwoede pogingen om niets te voelen, wringt onze hoofdpersoon zich in merkwaardige bochten om in situaties te belanden die haar vooral teleurgesteld achterlaten, iets wat een doel op zich lijkt te zijn geworden. In een van de vervuilde studentenhuizen waar Eefje haar onderkomen vindt ontmoet ze Mark, een overjarige student wiens gezicht alle trekken vertoont van een krop sla en die net als Eefje wacht op zijn grote doorbraak (wat voor doorbraak dan ook) Laatst genoemde houdt er bovendien de gewoonte op na de hele dag met een gele clownspruik rond te lopen.

RECENCIES

Door Kees Schrevel

Het boek was terecht gekomen op de kraam van een boekenstalletje onder de schaduw van de Laurenskerk. Begin herfst 2012, uitgegeven in 2011. De flaptekst zei nog niets over de werkelijke inhoud, maar maakte wel nieuwsgierig, net als een paar zinnen die opvielen door hun compacte, laconieke vorm. De uitgever was Prometheus. Misschien rolt er ook daar wel eens een slecht boek uit, maar ik beschouwde het als een kwaliteitsstempel.
Onder pseudoniem is heel sterk een ik-boek, een ik die we met flinke onderbrekingen volgen van haar pubertijd tot aan haar vierentwintigste. Op een bizarre manier is ze op zoek naar genegenheid. Op de een of andere manier probeert ze om te gaan met de alles overheersende gebeurtenis uit haar familiegeschiedenis, namelijk de verdwijning van haar oudere halfzus. Na geruime tijd blijkt ze dood, gedood.
In eerste instantie las ik het boek vooral geïntrigeerd door de stijl van schrijven. Het leek me een mooi voorbeeld voor mijn cursisten verhalen schrijven. Hieronder een klein voorbeeld:
We zouden een paar dagen naar Euro Disney gaan omdat mijn zus die maand jarig was. Ze werd vierentwintig. Dat moest gevierd worden. Mijn zus kwam ook later. Dat had ze beloofd omdat ze eerst nog naar Spanje wilde liften met een vriend die wij allemaal nog nooit hadden gezien. We wisten alleen dat hij een hoog voorhoofd had en dat hij hoogbegaafd was. Met zijn intelligentie had hij niets gedaan behalve overal heen liften. Dat ’later’ bleef maar komen, maar mijn zus niet. We gingen alvast naar dat pretpark zonder haar. Daarna gingen we alvast naar huis.
En nog een paar zinnen:
De volgende ochtend liep mijn moeder gehavend het huis uit. In haar ene hand een koffer. In de andere mijn zus. Een paar jaar later ontmoette ze mijn vader. Van mijn zus had dat niet gehoeven.

Omdat het een waar gebeurd verhaal is, valt er buiten het boek om het nodige te achterhalen. ‘Van mijn zus had het niet gehoeven’, betekent zoveel als: ze heeft de tweede echtgenoot van haar moeder nooit geaccepteerd en gooide, zoals dat heet, haar kont tegen de krib. Het is niet zo moeilijk om daar de nodige spanningen en ‘situaties’ uit af te leiden. Dat samen te vatten in het korte zinnetje dat het van haar zus niet had gehoeven, is dus erg laconiek, een middel misschien om pijnlijke zaken op afstand te houden. Het is de stijl van schrijven die Eveline Vreeburg door het hele boek volhoudt.
De verdwijning van haar zus speelt een belangrijke rol vooral wat het effect is op de hoofdpersoon. We volgen de ik die vanuit haar ouders huis, ergens in het noorden van Brabant, naar Amsterdam verhuist en daar van huis naar huis, van vriendje naar vriendje trekt. Haar hart is er niet bij. Over een van de jongens zegt ze dat het beter dan niets was, en niets was er al genoeg. Met een oudere, wat dolende student, trekt ze langer op. Samen ondernemen ze zelfs een reis naar het verre oosten. Tot een ware omslag leidt dat niet.
Je kunt het een autobiografisch boek noemen, maar ook een roman. Vreeburg reduceert het aantal personages – ze heeft meer familie dan in het boek voorkomt – en ze beperkt de verhaallijn. Volgens het foto-onderschrift op de achterkant studeerde zij Europese studies aan de Universiteit van Amsterdam. Daarover geen woord. En ongetwijfeld is er veel meer waarover met geen woord geschreven wordt. Dat hoeft ook niet. Ook de schrijver van een verhaal met sterk autobiografische trekken staat het vrij een keuze te maken en te bepalen wat er wel of niet in het verhaal thuis hoort.
Voor wie zelf schrijft is Onder pseudoniem zonder meer een interessant boek vanwege de stijl. Het vereist intens lezen, want achter het schijnbaar achteloze, afstandelijke, gaat veel meer schuil. Eigenlijk kan je het beste na bladzijde 189 weer terugbladeren naar de eerste zin en gaan herlezen. Dat is overigens bepaald geen straf.

Door Marja Pruis (De Groene)

Alle mannen in dit boek zijn karikaturen. Dat is historisch zo gegroeid.
Renate Dorrestein schreef deze twee zinnen voor in Het perpetuum mobile van de liefde, dat alweer 23 jaar oud is. Eén jaar jonger dan Eefje, het hoofdpersonage in de debuutroman Onder pseudoniem van Eveline Vreeburg (1984). Een merkwaardig genadeloze roman, vermomd als een naïef meisjesboek, dat me nu al weken bezighoudt.
De waarschuwende ironische zinnen van Dorrestein hadden hier voorin ook niet misstaan, zij het dat Dorrestein strijdlustig is en Vreeburg gelaten. De sardonische blik op mannen en de nihilistische visie op alles wat met de liefde (bij Dorrestein consequent aangeduid als de lie-hiefde) te maken heeft, zijn echter verrassend identiek. Daarbij wordt in beide romans een gevecht geleverd met de demon van een dode zus. Vreeburg doet dat in Onder pseudoniem in geheel eigen stijl. Met een eigenzinnige openingszin – ‘Salim, de eerste met wie ik het bed deelde, had billen die bij zijn naam pasten’ – dendert ze met ongemakkelijke observaties, gevat in koele kinderlijke zinnen, bij de lezer naar binnen. Over die Salim: ‘Ik was dertien en dacht dat we elkaar wel weer tegen zouden komen. Als hij wat wijzer was geworden, ik misschien wat ouder. Vooral moest hij zijn vrouw bevruchten.’

Salim is de eerste in een stoet van mannen/jongens, die allemaal zo hun hebbelijkheden en gebruiksaanwijzingen hebben. De een praat continu, de ander heeft zijn kleren angstwekkend netjes opgevouwen op bed liggen, eentje gebruikt zijn penis als buikspreker en weer een ander heeft het over zichzelf in de derde persoon. ‘Gast moet ervandoor.’
Of Eefje nu wel of niet een betrekking met ze aanknoopt – eufemisme voor: met ze in bed belandt – valt niet echt te voorspellen. Meestal is het gewoon de makkelijkste weg, terwijl instinctief haar neiging is: wegwezen. Dat ze na gedane zaken dan ook nog eens aan iemand blijft kleven, zet haar hele persoon in een eenzaam licht. Net zoals het feit dat ze precies weet wat mannen willen: borsten die ieder moment uit een shirt lijken te kunnen floepen, kreunen op het juiste moment en niet te hard.
Algeheel credo van Eefje: ‘Het was beter dan niets. Niets was er al genoeg.’
Dit nihilisme weet Vreeburg overtuigend over het voetlicht te krijgen. Dat heeft veel te maken met de afwezigheid van de oudere zus, over wie vanaf de tweede bladzijde een immens treurig waas hangt.
‘We zouden een paar dagen naar Euro Disney gaan omdat mijn zus die maand jarig was. Ze werd vierentwintig. Dat moest gevierd worden. Mijn zus kwam ook later. (…) Dat “later” bleef maar komen, maar mijn zus niet. We gingen alvast naar dat pretpark zonder haar. Daarna gingen we alvast naar huis.’
Juist het feit dat Vreeburg nergens precies het drama benoemt, maar zich bepaalt tot het klunzige gehannes van tastende ouders en het desolate dolen van de achtergebleven zus, maakt het gebeuren des te naarder. De paar intieme herinneringen aan de zus, en de duistere scènes in opeenvolgende huizen, zeggen genoeg.
Het is jammer dat Vreeburg haar stijl, die zich kenmerkt door een grote afgewogenheid, niet het hele boek volhoudt. Soms wordt de simpelheid té, en daarmee een stijltje. Alsof als je gewoon maar de meest banale zaken (‘De trein stond klaar op het perron’) in een slome monotonie blijft opsommen (‘Aan het raam was een plek’) er vanzelf een vervreemdend effect ontstaat. Ook zijn er een paar hoofdstukken die er net even te moeizaam uitgeperst lijken, alles om het magische aantal van 24 hoofdstukken te halen.
Dat is iets wat pas bij tweede lezing opvalt: de hechte manier waarop dit ogenschijnlijk eruptieve relaas is geconstrueerd. Tegen het eind zijn we terug op de camping van het begin, waar het grote wachten op de zus z’n aanvang heeft genomen.
Ga maar ‘s kijken of ze er al is.
Misschien heeft ze een bericht achtergelaten.
Ze zal er wel zijn als we terug zijn.
Zul je zien dat ze thuis is.
Zul je net zien.

In een reeks van repetitieve mantra’s wordt het lot van de zus bezworen, wat niet kan verhinderen dat op een avond de agenten op de stoep staan met het verpletterende nieuws. Let wel: ik benadruk nu iets dat in de roman zorgvuldig is omwikkeld met allemaal andere verhaallijnen die met gekke details de aandacht trekken. Bijvoorbeeld de pogingen van Eefje om actrice te worden. Haar afkeer van penissen die in haar rug prikken. De constatering dat ze zelf 24 was geworden, en, ‘voor zover ze wist’, nog leefde. Haar anorexia. Het ostentatief níet-denken aan de zus, wat het beste lukt als ze zich laat penetreren door welke sukkel dan ook. Sowieso de seks: ‘We neuken niet echt.’ Als een bedgenoot haar overdraagt aan een vriend: ‘Ga je gang, maar het is wel een gedoe.’ Om dan uiteindelijk toch de hamvraag te stellen aan een van hen, die met de pratende penis. ‘Denk je wel eens aan me?’
Waarmee we in de slotapotheose terug zijn bij de lie-hiefde van Dorrestein. Want wat is liefde, besluit Eefje? Een vinger in je reet. Een hap lauwwarm zaad. ‘Het grootste misverstand, de verslaving waar je uiteindelijk je verstand door verloor, waaraan je stierf.’
En dat is dan het verschil tussen Vreeburg en Dorrestein, of het is het verschil tussen 1988 en 2011: waar Dorrestein eindigt met het zetten van een kopje thee voor de gekke buurvrouw die is blijven hangen aan een imaginaire minnaar, neemt Eefje met geheven hoofd toch maar weer die penis ter hand. ‘Vlak voor mijn lippen hield ik hem, alsof het een klein microfoontje was. “Hallo meneer,” fluisterde ik. “Ik ben Eefje. Wil je met me spelen?”‘ Gevaarlijke schrijfster, die Eveline Vreeburg.

Back To Top